De voettocht naar het stadje wat niet groter is dan het dorp waar mijn moeder woont, kronkelt zich een weg langs zilverwitte stranden waar de kokosbomen met hun voeten in het water staan, de amandelbomen hun vruchten laten vallen in de branding, waar krabben met vreemde nieuwsgierige oogjes je aankijken wat zo’n rare blanke man daar nou doet, waar enorme vlinders met de mooiste kleuren op je arm komen zitten terwijl je wegdroomt in de geur van vanille en papaja vruchten, waar je eindeloos de diepte in kunt kijken naar de bodem van de helder blauwe zee naar de miljoenen gekleurde vissen die er vredig rondzwemmen tussen koraal en hagelwit zand.