Vandaag heb ik dus die vier kilometer langs het strand gewandeld naar het stadje, heb er de markt bezocht, en heb er uiteraard de lunch genuttigd met een apperootje vooraf bestaande uit een cocktail met, natuurlijk, rhum, verse vruchten sappen die ze op straat uit staan te persen, en stukjes cocos. (er komt een speciale rhumreportage later)
Ik stuurde een mailtje naar broer bart dat mijn huidige telefoonnummer het gewoon doet hier en ik heb in een paar woorden natuurlijk verteld waar ik was; in het Paradijs.
“als dit het paradijs is wat ze bedoelen met naar het paradijs gaan, dan heb ik medelijden met de bevolking hier, al die galbakken die beweren naar het paradijs te gaan”.
Ik wil daar nog aan toevoegen; ik weet zeker dat mijn moeder er zal genieten van zoveel bloemen en kleuren, zoveel overvloedige goedheid aan alles, dit is echt of een paradijs, of een oneerlijke verdeling van het aardoppervlak, alhoewel onze president Sarkozy daar wellicht weer anders over zal denken omdat de Caribische eilandengroep een geldverslindende brandweerkraan is die nimmer genoeg geeft, maar ach, wie mooi wilt zijn moet pijn lijden, hé sarko ?
Broer Bart zal ongetwijfeld (sorry lezer, de naam bart zal nog wel eens voorbij komen omdat ik ten eerste een groot respect heb voor deze lange jongeling, daar moet U hem voor kennen, en ten tweede is bart ook in de regio werkzaam geweest en heeft daar zijn verhaal over geschreven wat u kunt lezen op “bart in suriname.nl, en ten derde omdat bart en ik dezelfde drang hebben naar alles wat drijft behalve wrakhout, en beiden een genoegen hebben aan het opschrijven (je mag soms opsmunken [Oudhollands voor pimpen] zeggen) van ons verhaal ten behoeve van het massapubliek wat naast de tweehonderdachttien tv zenders nog steeds geen eigen vermaak heeft gevonden.